| Aandacht voor .............. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Voedingsvoorlichting![]()
In samenwerking met dietiste Mevr. M. Damsma uit Eindhoven wordt regelmatig voedingsinformatie gegeven op deze pagina.
Hebt u wel eens van de dokter gehoord, dat u ’s avonds na 6 uur “nuchter” moet zijn voor een onderzoek? Dus dat u na de warme maaltijd niets meer mag eten of drinken.? Had u dan ook zo’n trek in van alles en nog wat? Of een ander voorbeeld: je gaat ’s morgens de deur uit om met de trein naar Amsterdam te gaan; normaal een reisje van zo’n 2 uur. Halverwege de reis staat de trein opeens stil, om pas uren later te vertrekken. Ondertussen rammel je van de honger: je krijgt het koud, gaat geeuwen, wat zweverig zien en misschien krijg je wel last van hoofdpijn. Allemaal een gevolg van het feit dat je niet op tijd hebt gegeten. Hoe komt het dan toch dat het ontbijt door zoveel mensen wordt overgeslagen, want ook dan heb je uren niet gegeten. (De enkeling, die ’s nachts de koelkast gaat plunderen daargelaten). Als reden wordt opgegeven: ik heb geen tijd, geen trek, ik lijn of ik heb mijn leven lang nog niet ontbeten. Toch weet iedereen dat je eerst benzine moet tanken voordat je met de auto gaat rijden, of je gsemmetje op moet laden voor je kunt bellen. Ook het lichaam geeft veruit de voorkeur aan “opladen of bijtanken” voor er gepresteerd wordt. Je vetreserves zijn echt als reserve voor noodgevallen bedoeld en niet als hulpmiddel bij de slanke lijn. Allerlei onderzoek heeft uitgewezen, dat overslaan van het ontbijt directe gevolgen heeft voor je prestatievermogen, ook bij mensen, die ’s morgens zeggen: ik heb helemaal geen trek. Je komt energie en voedingsstoffen tekort en die schade haal je de hele dag niet meer in, zeker niet als je gaat compenseren met allerlei (vette of zoete) tussendoortjes. Na een hele nacht zonder eten – maar wel verbruik van energie omdat je longen, hart en bloedsomloop door zijn blijven werken – is het ontbijt een onmisbare maaltijd. Een goed ontbijt levert voldoende energie en voedingsstoffen om de ochtend door te komen en zou kunnen bestaan uit: - graanproducten, zoals (bruin) brood, müsli, havermout, brinta, cornflakes - liefst een melkproduct zoals melk, yoghurt of kaas - eventueel fruit of groente, boter, margarine of halvarine en broodbeleg In andere culturen wordt ook nog wel pannenkoeken of soep gegeten en een paar eeuwen geleden aten veel Nederlanders nog aardappels bij het ontbijt! Tegenwoordig is er daarnaast de keuze uit allerlei “kant en klare” ontbijten op basis van fruit-, graan-, of zuivel. Vaak worden deze producten als super gezond aangeprezen omdat er allerlei vitamines en mineralen aan worden toegevoegd. Dat je voor deze extra toevoegingen en het gemak vaak flink moet betalen spreekt vanzelf. Het loont zeker de moeite om de voedingswaarde van deze producten eens te vergelijken met elkaar en met het “standaard” ontbijt van 2 sneetjes bruin brood met halvarine, een plak kaas, wat jam en een beker halfvolle melk: 385 kcal, 17 gr eiwit, 15 g vet, 49 g koolhydraten, 4 g voedingsvezel, 360 mg calcium, ijzer, 145 µg vit. A, 0,15 mg vit. B1, 0,35 mg vit. B2, 3 mg vit C. Wie aan de lijn doet, moet er juist voor zorgen om liefst met brood of müsli te ontbijten: dit levert relatief weinig calorieën, maar de vezels zorgen voor een verzadigd gevoel en dat maakt dat je niet zo snel weer honger krijgt Tenslotte een tip voor iedereen, die ’s morgens geen zin, tijd enz. heeft om te ontbijten: het mag ook wel iets later (op een normale werkdag zo tot een uur of 10) of wat gespreid: eerst een beker melk of een glas vruchtensap voor je van huis gaat en onderweg of op het werk je boterhammetjes maar onthoudt het gezegde van onze (voor)ouders: Ontbijten doe je als een koning, lunchen als een boer en warm eten als een bedelaar! Eindhoven, februari 2002 Margreet Damsma, diëtiste
In onze voeding komen 2 soorten vetten voor: verzadigde en onverzadigde. Verzadigd vet verhoogt het cholesterolgehalte in het bloed en daarmee het risico op hart- en vaatziekten. Onverzadigd vet verlaagt het cholesterolgehalte in het bloed. Onverzadigd vet is dus beter dan verzadigd vet. Om een goede cholesterolverlagende werking te garanderen is een verhouding van 2/3 (60-65%) onverzadigd vet en 1/3 (35-40%) verzadigd vet in een product noodzakelijk. Over het algemeen zijn plantaardige ingrediënten rijker aan onverzadigd vet dan dierlijke. In "gewone" margarine wordt een mengsel van dierlijke en plantaardige vetten gebruikt. Er wordt geen rekening gehouden met de verhouding verzadigd en onverzadigd vet. Gewone margarine bevat dan ook in verhouding meer verzadigd vet. Dieetmargarine is oorspronkelijk bedoeld voor mensen, die een cholesterolbeperkt dieet moesten volgen. Doordat het 60-65% onverzadigd vet bevat, heeft het een cholesterolverlagende werking. Omdat hart- en vaatziekten een groot gezondheidsrisico vormen passen dieetmargarines in het advies over gezonde voeding. Door het gebruik van dieetmargarine (en het verlagen van de consumptie van vezadigd vet) kan vaak voorkomen worden dat het cholesterolgehalte van het bloed te hoog wordt. Dieetmargarine is dus bedoeld voor mensen, die uit voorzorg willen voorkomen dat het cholesterolgehalte te hoog is en voor mensen met een cholesterol beperkt dieet. Speciale margarines als "Benecol" en "Becel pro active" behoren tot de zgn. "functional foods": levensmiddelen met een extraatje, in dit geval een stof (plantensterol of -stanol) die een sterke cholesterolverlagende werking heeft.. Plantensterolen zorgen ervoor dat het cholesterol in de darm niet goed kan worden opgenomen en met de ontlasting wordt uitgescheiden. Dagelijks gebruik van deze margarines kan het cholesterolgehalten met zo'n 10-15% verlagen. Deze speciale margarines zijn met name bedoeld voor mensen met een te hoog cholesterolgehalte. En het vetgehalte .. zeg maar de calorieën? Dat is bij al deze margarinesoorten ongeveer gelijk nl. ca. 700 calorieën per 100 gram Een etiket heeft zoveel te vertellen 1Mag je melk na de uiterste verkoopdatum nog gebruiken? Allemaal vragen, die misschien wel eens bij u opgekomen zijn tijdens het boodschappen doen. Toch is het meestal de kleurrijke verpakking, die de aandacht trekt en niet de informatie, die je al of niet in kleine lettertjes op het etiket terugvindt. In Nederland heeft de overheid in de "Warenwet" vastgelegd wat er op de verpakking van levensmiddelen moet staan. Alle fabrikanten, dus ook buitenlandse, dienen zich hieraan te houden.
Voor suiker of limonade is dat geen probleem, iedereen weet wat daarmee bedoeld wordt. Anders is het met nieuwe of buitenlandse producten zoals pappadums, tiramisu of garam massala: in zo'n geval moet er ook een omschrijving worden vermeld. Als je een klacht hebt of iets meer van het product wilt weten - bijvoorbeeld omdat je allergisch bent - is het belangrijk dat je weet bij wie je daarvoor terecht kunt. Naast de naam, moet er ook een adres of vestigingsplaats op het etiket staan. Veel fabrikanten vermelden ook hun telefoonnummer of hebben zelfs een gratis informatienummer. Soms gaat er iets mis bij de productie: glas in groente in een pot, besmet vlees in babyvoeding, ontsmettingsmiddel in melk. Geen nood als dat ontdekt wordt voor het levensmiddel de fabriek verlaat, maar een "ramp" als de producten al in de winkel staan. Dan verschijnen er berichten in de krant als "Belangrijke mededeling": wilt u de melk met productiecode .. terugbrengen naar de winkel. Op die manier kunnen vaak meer of minder ernstige gezondheidsrisico's beperkt worden. Op (bijna) elke verpakking valt te lezen hoelang een product houdbaar is. Uitzondering daarop zijn o.a. suiker, zout, kauwgom en wijn. Met het vermelden van de houdbaarheidsdatum garandeert de fabrikant dat het levensmiddel tot die datum alle eigenschappen als geur, smaak en bijvoorbeeld knapperigheid nog heeft. De houdbaarheidsdatum wordt op 2 manieren aangegeven nl. "te gebruiken tot"/"uiterste verkoopdatum" voor bederfelijke waren als melk, vers vlees en voorgesneden groenten en "tenminste houdbaar tot" voor alle andere levensmiddelen. De houdbaarheidsdatum wordt op verschillende manieren aangegeven: voor producten die korter dan 3 maanden houdbaar zijn moeten dag en maand vermeld worden; zijn ze tussen de 3 en 18 maanden houdbaar, dan staan maand en jaar op het etiket en bij producten die langer dan 18 maanden houdbaar zijn hoeft alleen het jaartal vermeld te worden. Als levensmiddelen door invloeden van buitenaf (licht, temperatuur, enz.) kunnen bederven, moet een bewaarvoorschrift op de verpakking staan. De term "uiterste verkoopdatum" geeft de dag aan waarop het artikel nog in de winkel mag liggen. Mits goed bewaard is het vaak nog wel één tot enkele dagen daarna voor consumptie geschikt. Om bijvoorbeeld prijzen te kunnen vergelijken is het van belang te weten hoeveel je koopt. De aanduiding kan in milliliter, liter, gram of kilogram zijn. Vaak zie je achter de inhoudsmaat het lettertje "e" staan. Met dit kleine lettertje vrijwaart de fabrikant zich om exact de hoeveelheid te leveren; kleine afwijkingen in gewicht of inhoud zijn toegestaan binnen wettelijk vastgestelde marges. En de inhoud is ook echt de inhoud want de verpakking telt niet mee. De door de leverancier zelf verpakte levensmiddelen vermelden het totale gewicht, dus verpakking en inhoud. Levensmiddelen in blik of pot hebben 2 vermeldingen: de inhoud (vocht en product) en het "uitlekgewicht", d.w.z. wat je overhoudt als je het sap, water of olie weg hebt laten lopen. Let er maar eens op bij het vergelijken van prijzen! Alle ingrediënten die nodig zijn om een product te maken moeten met hun soortnaam op de verpakking vermeld worden. Wat er het meest inzit komt op de eerste plaats, wat er het minst inzit op de laatste. Vaak worden hulpstoffen gebruikt om iets lekker of bijvoorbeeld beter houdbaar te maken. Over hulpstoffen gaat deel 2 van "Een etiket heeft zoveel te vertellen".
De voedingswaarde hoeft niet op de verpakking vermeld te worden. Toch zijn er verschillende fabrikanten, die vermelden hoeveel calorieën er in een product zitten. Soms wordt de hoeveelheid per 100 g aangegeven, soms zelfs per "stuk"; Hetzelfde geldt voor eiwitten, vetten, koolhydraten en vitamines. Als fabrikanten aangeven dat een product speciaal bestemd is voor een bepaalde groep mensen zoals voor personen met een diabetesbeperkt dieet of met een lactose-overgevoeligheid, dan is het wel verplicht om voedingsstoffen te vermelden. Hetzelfde geldt voor producten waar extra vitamines en/of mineralen aan zijn toegevoegd, denk bijvoorbeeld aan melk met Calcium of limonade met vitamine C. Als een levensmiddel het woord "dieet" in de productnaam heeft, moet worden aangegeven voor welk dieet dit geschikt is. Een voorbeeld daarvan is "dieetmargarine voor het cholesterolbeperkte dieet, dat meer dan 60% onverzadigd vet bevat. De term "light" geeft aan dat een product tenminste 1/3 minder calorieën, suiker of vet bevat dat het vergelijkbare product. Dat kan soms misleidend zijn: zo bevat de meeste light frisdrank minder dan 10 calorieën per glas, terwijl een glas "gewone" limonade al gauw 70 calorieën heeft. "light" rookworst of paté daarentegen bevatten soms bijna net zoveel calorieën als de magerste "gewone" variant. Verwarrend is de term "suikervrij"/zonder suiker/ongezoet: aan het levensmiddel is weliswaar geen kristalsuiker toegevoegd, maar vaak bevatten deze producten van nature "suiker(s)". Denk bijvoorbeeld aan sinaasappelsap (ca. 10 g vruchtensuiker per dl) en suikervrije jam waar i.p.v. suiker, suikerrijke vruchten als rozijnen, dadels en ingedikt appelsap zijn gebruikt. Bron: een etiket heeft zoveel te vertellen/Voedingscentrum en "kopen is kiezen" Ned. Hartstichting Margreet Damsma, diëtiste Een etiket heeft zoveel te vertellen 2 . Hulpstoffen Net als in onze eigen keuken, gebruikt ook de levensmiddelenfabrikant "hulpstoffen" om het eten lekkerder, beter houdbaar of van een bepaalde dikte te maken. Voorbeelden zijn vanillestokjes in de vla, suiker in de jam en gelatine om pudding te maken. Veel hulpstoffen komen in de natuur voor - een voorbeeld daarvan is citroensap - andere worden in een (chemische) fabriek gemaakt. In Europees verband is afgesproken om alle hulpstoffen te beoordelen op nut en veiligheid en ze na goedkeuring te voorzien van een "E-nummer". Ook over hoeveelheid en gebruik in levensmiddelen zijn regels opgesteld. Bij de ingrediëntenopsomming kun je hulpstoffen tegenkomen onder de eigen naam en als "E-nummer. De belangrijkste op een rijtje:
Heel veel hulpstoffen zijn volstrekt ongevaarlijk bij "normaal" gebruik. Toch zijn sommige kleurstoffen waarschijnlijk iets minder onschuldig, zeker als kinderen ze in grote hoeveelheden gebruiken. Raadpleeg hiervoor bijv. de "additievengids" een uitgave van de Consumentenbond. Bron: o.a. een etiket heeft zoveel te vertellen/Voedingscentrum Margreet Damsma, diëtiste |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||